Voor Wim

Home


’t Is misschien wel wat oneerbiedig, hier in ’t huis van God, maar we moeten ons toch maar even proberen voor te stellen, met z’n allen, zoals we hier zitten - en staan -, we moeten ons proberen voor te stellen hoe vorige week zaterdag, om pakweg vijf uur ’s middags,  een groot gejuich en rumoer losbarstte in de Deurnese hoek van de hemel, toen het nieuws binnenkwam dat Wilhelmus Aloijsius van de Munckhof, beter bekend als Wim van de Potdeksel, eraan zat te komen.  Vooral  de voormalige Potdekselklanten lieten zich natuurlijk volop horen. Willem van Geffen. Klaas Hendriks. Frans van der Kruijs.  Ik noem maar wat. Bèr Gijsbers, met z’n stijve poot. Jan ‘Gas’ die ’t glas al klaar had om er voor ’n kwartje schuum bijgetapt te krijgen.  Theo van den Broek. Corrie. Graard van Bakel, natuurlijk Graard van Bakel, Gerard d’n Brabander, die met Willem maar ’n paar dagen in leeftijd  scheelde en die,  toen-ie nog leefde, altijd wilde wedden over wie ’t oudste zou worden.  “Lippel”, placht-ie dan te roepen, “Lippel, mê jouw knoken  goi ik nog ooit de noten uit de notenboom.”  Nou Wim er aankwam zat-ie ‘m natuurlijk toch te knijpen dat-ie een rondje moest geven, vanwege die verloren weddenschap, en als er iets was waar Graard altijd al een hekel aan had, dan was ’t wel een rondje geven.     
Mart Honk was er.  Liesbeth Nies. Jet Lutters. Dorien van Pol.  Bonkie. Jac Harden.  Giel Althuizen. Ach mensen, ’t zijn er teveel om ze allemaal op te noemen, maar ze waren er ongetwijfeld allemaal, inclusief Pietje Jegerings die net nog als laatste was komen binnenschuifelen. Wilhelmus Aloijsius van de Munckhof, geboren op 22 december 1933.

Ach ja, natuurlijk, ik weet ook wel dat de hemel geen kroeg is en er wordt daar niet gedanst op de gouden vloer en zeker geen bier getapt want in de hemel is geen bier, maar God zal ’t ons beslist vergeven als we ’t ons zo even voorstellen. Hij heeft wel ergere dingen meegemaakt. 

Wat maakte Wim tot zo’n goeie kastelein? We moeten ons dan de  Potdeksel voorstellen van zo’n dertig, veertig jaar geleden, toen ’t nog geen eetcafé was.  Tegen vijf uur druppelden ze binnen, na een vermoeiende werkdag, de meesten vrijgezel, ze klommen op hun kruk, jassen hielden ze aan,  het liefst de kruk links en de kruk rechts onbezet en vervolgens begonnen ze zwijgend in hun glas bier te staren.  Dan zwaait de keukendeur open, entree van d’n Deksel. Hij stapt naar de kraan, tapt een glas bier, neemt een slok en zegt vervolgens tegen niemand in het bijzonder dat Feyenoord weer knap w-w-waardeloos was.  Of dat ’t t-t--tijd wordt dat Wim Kok ophoepelt.  Het effect is verbazingwekkend. Binnen de kortste keren zit de hele bar met elkaar te praten en te schreeuwen, de jassen gaan uit, de krukken worden opgeschoven, die zijn voorlopig nog niet weg. Waarop Wim  ’t restant van zijn glas bier leeg gooit in de spoelbak en glimlachend  weer door de keukendeur verdwijnt.  Ik wil maar zeggen: Wim had het vermogen om op het juiste moment met enkele rake zinnen mensen met elkaar aan de praat te krijgen en juist dat maakte hem tot een groot kastelein.   

Wims favoriete Bijbelverhaal  was overigens het verhaal van de bruiloft van Kanäa, het verhaal waarin Jezus water in wijn verandert.  Dat was een verhaal naar Wim z’n hart.  Water vond-ie maar niks.  Water was voor vissen en hun bedenkelijke bezigheden. ’n Echte vent dronk ’n goed glas bier.  Bavariabier, wel te verstaan. 

In 1970  kwam hij naar Deurne. De jaren daarvoor had hij de nodige ervaring opgedaan in de horeca in binnen- en buitenland.  Hij had ’n tijd in Italië gezeten en hij was sous-chef geweest in de keuken van het gerenommeerde hotel Cocagne in Eindhoven.  En toen kwam hij naar Deurne.  In de krant hebben we begin van de week kunnen lezen  dat die van Deurne hem met het nodige wantrouwen bezagen.  “Die ît hier ginne pak zout op, d’n diene”, zeiden ze.  Maar hij bleef. Wilhelmus Aloijsius van de Munckhof groeide uit tot een instituut met een café waar je geweest moet zijn.   
Dat had-ie te danken aan zijn sociale gaven, maar ook aan zijn kookkunst.  Hij had  die eerste jaren een  eenvoudige lunchkaart. Uitsmijter kaas, uitsmijter ham, brood met kroket. En ‘n kop soep.  Meer niet.  Maar dat was ‘t ‘m juist. De soep van Wim was ongeëvenaard. In de soeppannen van Wim was ’t elke dag zondag.  We weten ’t allemaal, zoals we hier zitten, nergens tussen Reusel en Wladiwostok vond men lekkerder bonensoep dan die van Wim.  Mèt twee sneetjes roggenbrood met spek.  Daar kon geen Michelinkok tegenop.

En als dan de soep op een laag pitje stond te sudderen, drentelde Wim ‘t café in en controleerde elk tafeltje, verschoof ’n kleedje hier, schoof ’n stoel recht daar, vaasje op de juiste plek, schone asbak in ’t midden, Wim was wat dat betreft nogal precies.  Ook dat tekende hem, die voortdurende zorg voor de details in zijn café.    

Dat had-ie ook met zijn uiterlijk.  Goeie kapper, goeie schoenmaker, de betere modezaak, ze hadden zeker geen slechte klant aan Wim.  En dan het liefst in een snelle auto, maar dat liep lang niet altijd goed af, zeker niet als hij met ’n borrel op achter het stuur kroop. Dat leverde achteraf dan altijd wel weer ‘n  sterk verhaal op voor aan de toog, dat weer wel.  Werd-ie aangehouden, had-ie teveel gedronken, proces. Staat die agent de bon uit te schrijven, zegt Wim tegen ‘m: “Ik heb die al z-z-zes keer betaald, voor da gij k-k-klaar bent met schrijven.” Pats, bon erbij, belediging van een ambtenaar in functie.  Wil-ie midden in de nacht nog in zijn BMW kruipen die naast de Potdeksel staat geparkeerd, vraagt een politieagent vanuit de surveillance-auto:  “Zo meneer van de Munckhof, gaan we nog rijden?”  Zegt Wim: “N-n-nou nie meer.” 

Ach, Wim kon me wat zeggen.  U kent Daantje Wildschut, zaliger gedachtenis.  Die zat afgelopen zaterdag ongetwijfeld ook bij het ontvangstcomité, één meter 52, op klompjes. Staat er een kinderfietsje tegen de gevel van de Potdeksel en zegt Wim tegen Daan: “Zo Daan, bende op de f-f-fiets?”
En zo kreeg-ie er wel meer hoog op de kast. Paradeert Marjo met ’n nieuw jurkje voor ‘m en zegt Wim: “As ze ouw zo in de k-k-kersenboom hangen, brengen de s-s-spreeuwen de kersen van twee jaar geleden nog t-t-terug.”
En toen Christine zei dat ze nog wel ’s wilde gaan kamperen, in een tent, met alles d’r op en d’r aan, zei Wim: “Gij hoeft geen t-t-tent mee te nemen, ge hoeft oew onderboks  mèr op te zetten, daor paste met twee man hendig  in.”
    
Ach Wim, hoeveel halve en hele nachten hebben we aan de bar gezeten en ’t leven in ’t algemeen en ’t ouwe Ajax in het bijzonder doorgepraat, Suurbier, Keizer, Swart, Velibor Vasovic, de glorie van weleer, de deur op slot, gordijnen dicht, lichten op de kleinste stand, maar op den duur mocht ook dat niet meer.  Zoals er zoveel veranderde in kroeg en kerk.  Je vertelde wel eens dat je als jongen solo had gezongen in de nachtmis, Stille Nacht, Heilige Nacht. En dat je moeder toen huilde. En dan wisten wij dat in jou ook nog altijd dat kind school, de jongen die naar zijn moeder verlangde. 
Als er ’n hemel is, dames en heren, àls er ’n hemel is, dan is Wim nu ook terug bij haar. 

Wilhelmus Aloijsius van de Munckhof. We moeten maar hopen dat ’t wáár is, dat ie voor goed thuis gekomen is, vorige week zaterdag, om vijf uur in de middag precies, toen de zon scheen.

Hoe dan ook, Wim, bedankt dat je bij ons was.
Door Ed van de Kerkhof.